De zee - John Banville
begin: Ze vertrokken, de goden, op de dag met die vreemde vloed.
p82: Wanneer ik vol verlangen door al die nevels heen vanuit het maar al te werkelijke toen tuurde naar het als hemels voorgestelde nu, zag ik, ik zei het eerder, mijn toekomstige ik heel helder voor me als een man met stressloze interessegebieden en een geringe ambitie, in mijn kapiteinsstoel gebogen over mijn tafeltje zittend in net zo'n kamer als deze, in ditzelfde seizoen, tegen het eind van het jaar, met zacht weer buiten, rondtollende bladeren, tersluiks tanend daglicht en straatlantaarns die elke avond niet meer dan een fractie vroeger aangaan. Ja, zo stelde ik me de volwassenheid voor, een soort lange nazomer, een serene toestand, een kalme nonchalance, zonder één spoor van de amper draaglijke, rauwe directheid van de jeugdjaren en waarin al wat mij als kind bevreemd had, was opgehelderd, alle raadselen ontcijferd, alle vragen beantwoord, terwijl de seconden vrijwel ongemerkt wegsijpelen, druppel na gouden druppel, tot aan het definitieve, vrijwel onmerkbare einde.
p92: reigerachtige dames
p209: Nacht,en alles muisstil, alsof er niemand is, ook ikzelf niet. Niets te horen van de zee, die in andere nachten gromt en grauwt, nu eens dichtbij en irritant, dan weer ver weg en zwak. Ik wil niet op deze manier alleen zijn. Waarom ben je niet teruggekomen om bij me rond te spoken? Dat is het minste wat ik van je had verwacht. Waarom deze stilte dag na dag, nacht na eindeloze nacht? Het is een soort mist, deze stilte van jou.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten